Home

Nieuwe regels BTW 2010(2)

Let op: opent in een nieuw venster E-mailadres

Op 1 januari 2010 treden er een aantal belangrijke wijzigingen in de btw-wetgeving in werking. In het mei-nummer van Fenedexpress is kort ingegaan op de algehele gevolgen van de thans voorgestelde wetswijzigingen. In dit artikel zal nader worden ingegaan op een aantal aspecten.

Is de afnemer een ondernemer?

De hoofdregel voor het belasten van diensten van bedrijven aan bedrijven (B2B) is gewijzigd. Als nieuwe hoofdregel voor de plaats van dienst - en dus van btw-heffing - is gekozen voor de plaats waar de afnemende ondernemer de zetel van zijn bedrijfsuitoefening of een vaste inrichting heeft.

Onder de huidige wetgeving werd dit systeem al toegepast op een groot aantal diensten, zoals e-commerce, telecommunicatiediensten, radio- en televisieomroepdiensten, reclamediensten en de diensten door raadgevende personen, ingenieurs, advocaten en accountants. De nieuwe regels wijzigen op dit punt niet. Wel zullen meer ondernemers er mee te maken gaan krijgen.

Belangrijk om te weten is dus of de afnemer een ondernemer is.
Ondernemers die diensten verrichten aan andere ondernemers zullen zich er dus van moeten vergewissen dat hun afnemer handelt als ondernemer. Daarbij dient de ondernemer bij afnemers binnen de EU te beschikken over het door dezen aan hem bekend gemaakte BTW-identificatienummer waaronder die ondernemer de dienst afneemt. Wanneer een afnemende ondernemer beschikt over een BTW-identificatienummer behoeft de ondernemer die de dienst verricht dit in beginsel niet steeds te controleren. De wetswijziging houdt ook in dat rechtspersonen andere dan ondernemers, die voor BTW-doeleinden zijn geïdentificeerd in dit verband ook worden aangemerkt als ondernemer. Ook zij dienen over een BTW-identificatienummer te beschikken.

Wanneer de ondernemer gerede twijfel heeft of zou moeten hebben over de ondernemersstatus van zijn afnemer dan dient hij volgens de staatssecretaris het opgegeven BTW-identificatienummer wel te verifiëren. Dit is mogelijk via het zogenoemde VIES-systeem, een Europese database van voor de BTW geregistreerde personen. Verificatie kan zowel schriftelijk als telefonisch plaatsvinden bij de belastingdienst of via de Europese site www.ec.europa.eu/taxation-customs/vies.

Geen identificatienummer?

In sommige lidstaten ontvangen kleine of vrijgestelde ondernemers geen BTW-identificatienummer of geen volwaardig BTW-identificatienummer. Ook ondernemers uit niet EU-landen beschikken niet over een BTW identificatienummer.

Wanneer een dienst wordt verricht voor een ondernemer uit een niet-EU land of voor een kleine of vrijgestelde ondernemer uit een andere EU-lidstaat aan wie in dat land geen BTW-identificatienummer dan wel geen volwaardig BTW-identificatienummer is verstrekt, kan de plaats van dienst toch zijn daar waar de afnemer is gevestigd. Voorwaarde is wel dat de ondernemer zich er voldoende van heeft verzekerd, bijvoorbeeld aan de hand van een verklaring van de belastingdienst van de lidstaat van de afnemer, dat zijn afnemer een ondernemer is. In die zin is er geen wijziging ten opzichte van de huidige regels.

Om in dat geval aan te tonen dat de afnemer een ondernemer is zal men aan de afnemer een verklaring van zijn belastingdienst moeten vragen dat hij ondernemer is. Dit was ook al nodig onder de huidige regelgeving.

De nieuwe BTW-richtlijn 2006 verplicht de lidstaten overigens om een BTW-identificatienummer toe te kennen aan iedere ondernemer op hun respectieve grondgebied die diensten betrekt van ondernemers uit een andere lidstaat, waarvoor die ondernemer als afnemer de belasting verschuldigd wordt. Als een afnemende ondernemer uit een andere lidstaat op dit moment nog niet over een BTW-identificatienummer beschikt, dient de lidstaat van vestiging van die ondernemer hem uiterlijk 1 januari 2010 daarvan te voorzien. Wanneer dat laatste toch niet het geval mocht zijn dient de ondernemer die de dienst verricht zich op andere wijze van het ondernemerschap van zijn afnemer te vergewissen.

Wanneer het bijvoorbeeld gaat om een Luxemburgs bedrijf als afnemer dat nog niet over een BTW-identificatienummer beschikt, geldt dat die ondernemer na 1 januari 2010 over zo'n nummer moet beschikken en dat voor de diensten die vanuit bijvoorbeeld Nederland voor dat bedrijf worden verricht, een listing vereist is (tenzij de dienst in Luxemburg is vrijgesteld).

Diensten afgenomen voor privédoeleinden

Indien de ondernemer een dienst afneemt als privé-persoon doet hij dit niet "als een zodanig handelende ondernemer". In de gevallen dat een afnemer/ondernemer zich niet als ondernemer heeft gepresenteerd bij de dienstverrichter, dient deze er vanuit te gaan dat de ondernemer optreedt als privé-persoon. Er bestaan in dit verband maar twee mogelijkheden. De ondernemer treedt op als ondernemer of als privé-persoon; hij kan een dienst niet deels als ondernemer en deels als privépersoon afnemen.

Als een ondernemer een dienst als privépersoon wil afnemen, dan moet hij dit aan de dienstverrichter melden. Dit betekent bijvoorbeeld dat hij bij de afname van de dienst nooit zijn BTW-identificatienummer mag gebruiken, en dat hij bij een dienstverrichter waarmee hij dikwijls zaken doet uitdrukkelijk moet aangeven dat hij deze keer de dienst betrekt als privépersoon.
Een ondernemer die beschikt over een BTW-identificatienummer kan dus wel diensten afnemen als privépersoon.

Wanneer de afnemende ondernemer aan de ondernemer die de dienst verricht duidelijk heeft gemaakt dat hij in een bepaalde situatie de dienst afneemt als privépersoon en niet als ondernemer, dan zal de plaats van dienst in beginsel vallen onder de toepassing van de hoofdregel voor B2C diensten, de plaats waar de dienstverrichter is gevestigd. De ondernemer die de dienst verricht zal dan bij grensoverschrijdende diensten die onder de hoofdregel vallen de dienst belasten in zijn land van vestiging en moeten opnemen in zijn binnenlandse aangifte.
Deze regeling is van toepassing in alle lidstaten.

In de praktijk zal het voorkomen dat een grensoverschrijdende dienst voor privé-gebruik door een ondernemer in het algemeen eerst zal worden aangekocht in de ondernemerssfeer, waarna later bij geheel of gedeeltelijk gebruik in de privé-sfeer over dat gebruik BTW wordt geheven in de lidstaat van de afnemer.

Binnenlandse vervoersdiensten

De nieuwe hoofdregel geldt ook bij binnenlandse vervoersdiensten.

Dit geldt dus voor:

  • vervoer binnen Nederland door een in Nederland gevestigde ondernemer in opdracht van een ondernemer die in een andere lidstaat is gevestigd;
  • vervoer binnen een andere lidstaat door een in Nederland gevestigde ondernemer in opdracht van een ondernemer die in een andere lidstaat is gevestigd (de zogenoemde cabotage);
  • vervoer binnen een andere lidstaat (bijvoorbeeld België) door een in Nederland gevestigde ondernemer in opdracht van een ondernemer die ook in Nederland gevestigd is (ook een vorm van cabotage).

De hoofdregel brengt dus met zich mee dat in al deze situaties het land van de afnemer bepalend is. In het laatste voorbeeld zal de Nederlandse ondernemer over van het feitelijk in België verrichte goederenvervoer Nederlandse BTW in rekening moet brengen. Nu de heffing niet is verlegd naar de afnemer valt de dienst niet onder de listingverplichting.

Wanneer in dit laatste voorbeeld het binnenlandse vervoer echter niet zou plaatsvinden in België maar binnen het grondgebied van een niet-EU land, zou afhankelijk van de belastingregels van dat land, in bepaalde gevallen dubbele heffing van belasting kunnen ontstaan. Mocht dit het geval zijn dan geeft de Richtlijn de lidstaten de mogelijkheid om dubbele heffing te voorkomen of te herstellen.

De nieuwe hoofdregel, dat de dienst is belast op de plaats waar de afnemer is gevestigd, is ook van toepassing op het goederenvervoer van een niet-EU land naar een ander niet-EU land. Wanneer in dergelijke gevallen het vervoer in Nederland belast is, kan het nultarief van toepassing zijn als het gaat om goederen die niet ingevoerd zijn. In andere gevallen is de dienst belast naar het algemene tarief. Diensten die fysiek geheel plaatsvinden buiten de EU vallen dus niet buiten de EU BTW-heffing.

Voorbeeld: een onder de hoofdregel vallende dienst wordt verricht door een Nederlandse ondernemer voor een andere Nederlandse ondernemer op een schip buiten de territoriale wateren. Deze dienst is belast in Nederland. Omdat het hier niet kan gaan om een geval van dubbele heffing laten de huidige bepalingen van de richtlijn het niet toe deze diensten buiten de heffing te laten. Er is dus gewoon Nederlandse BTW verschuldigd over deze prestatie, ook al vindt deze ver buiten Nederland plaats.

Verricht voor

Voor de verlegging van de plaats van dienst naar de plaats waar de afnemer is gevestigd is het van belang te weten voor wie de dienst wordt verricht. Bepalend is de afnemer van de prestatie, aan de hand van een aantal voorbeelden wordt hier meer duidelijkheid over gegeven.

Voorbeeld 1: Een softwareleverancier die een contract (license-agreement) sluit met een vaste inrichting van een multinationale onderneming die vanuit deze vaste inrichting de afgenomen dienst verder distribueert naar andere vaste inrichtingen van deze multinationale onderneming. In deze situatie kan er van worden uitgegaan dat de dienst wordt verricht voor de vaste inrichting die het contract afsluit.

Voorbeeld 2: Een adviesbureau in de vorm van een internationale maatschap met vestigingen in verschillende landen waarvan de Duitse vestiging een opdracht krijgt van een Nederlandse ondernemer. Het feit dat de Duitse vestiging ook een aantal mensen van de Nederlandse vaste inrichting inschakelt bij de uitvoering van het contract betekent niet dat daarmee de dienst niet langer zou worden verricht door de Duitse vestiging. Wel heeft de betrokkenheid van de Nederlandse vaste inrichting in dit voorbeeld tot gevolg dat de heffing van de BTW in Nederland niet wordt verlegd naar de afnemer. Er wordt dus Nederlandse BTW vermeld op de factuur. De belasting wordt opgenomen in de aangifte van de vaste inrichting in Nederland.

Conclusie: de feitelijke omstandigheden kunnen hier een grote rol in spelen. Bij een complex dienstencontract is het raadzaam dit eerst af te stemmen met de belastingdienst.