- nieuwe regels met betrekking tot de plaats van dienst voor de omzetbelasting;
- een listingverplichting voor diensten.
- een modernisering van de teruggaafprocedure voor ondernemers van in andere lidstaten betaalde btw.
De hoofdregel voor de plaats waar een dienst is belast, wordt per 1 januari 2010, voor diensten verricht aan ondernemers (B2B-diensten), de plaats waar de ondernemer die de dienst afneemt is gevestigd.
In het vorige artikel is ingegaan op diverse aspecten rond de ondernemer als afnemer. Verder is aandacht besteed aan de wijze waarop de nieuwe regels uitwerken met betrekking tot vervoersdiensten.
In dit artikel gaan we in op een tweetal wijzigingen die verband houden met de gegevensuitwisseling binnen de EU:
- het tijdstip van verschuldigdheid van B2B diensten;
- verschuldigdheid van doorlopende prestaties.
Verder zal aandacht worden besteed aan enkele aspecten rond de aangifte- en listingverplichting voor B2B diensten.
Tijdstip prestatie
Vanaf 1 januari 2010 wijzigt het tijdstip van verschuldigdheid van B2B hoofddiensten waarbij de heffing is verlegd naar de afnemer.Het tijdstip van verschuldigdheid is het tijdstip waarop de B2B dienst plaatsvindt. Het gewijzigde tijdstip van verschuldigdheid geldt dus zowel voor B2B diensten verricht door EU ondernemers evenals door niet-EU ondernemers.
Dit tijdstip wijkt dus af van het tijdstip zoals dat tot nu toe gold, namelijk het tijdstip waarop de factuur werd uitgereikt of uiterlijk had moeten worden uitgereikt (vóór de vijftiende dag na de maand van de prestatie).
Het koppelen van het tijdstip van verschuldigdheid aan het tijdstip van de prestatie betekent dat in dat tijdvak de BTW moet worden aangegeven en in de listing moet worden meegenomen.
Het koppelen van het tijdstip van verschuldigdheid aan het tijdstip van de prestatie betekent niet dat er op het tijdstip van verschuldigdheid ook direct een factuur moet worden uitgereikt, noch dat er direct moet worden gelist of BTW moet worden afgedragen. Het tijdstip dient wel om vast te stellen in welk tijdvak van aangifte of listing deze BTW moet worden meegenomen en wanneer er gefactureerd moet worden.
Vanuit de praktijk zijn vragen gerezen hoe het bedrag aan BTW moet worden vastgesteld als er nog geen factuur is uitgereikt. De staatssecretaris meent dat deze situatie zich eigenlijk niet kan voordoen. Er geldt namelijk een verplichting om uiterlijk vóór de 15e dag van de maand volgend op de maand waarin de dienst is verricht een factuur uit te reiken. De BTW-aangifte waarin de Nederlandse afnemer vervolgens de over deze dienst naar hem verlegde BTW zal moeten vermelden moet uiterlijk de laatste dag van die maand worden ingediend. Dit betekent dat als de dienstverrichter zich aan de factureringsregels houdt, de afnemer over een factuur beschikt vóórdat hij aangifte moet doen van de naar hem verlegde BTW.
Vooruitbetaling
Bij vooruitbetaling gelden in 2010 dezelfde regels voor het moment van verschuldigdheid als in 2009, namelijk het moment waarop de factuur voor de vooruitbetaling wordt uitgereikt of uiterlijk had moeten worden uitgereikt. Indien geen factuur wordt uitgereikt, of wanneer deze te laat wordt uitgereikt, dan geldt het tijdstip van de vooruitbetaling als het tijdstip van verschuldigdheid. Als sprake is van een deelbetaling vooraf geldt deze regel alleen voor de deelbetaling. Het restant is dan verschuldigd op uiterlijk het tijdstip van de prestatie.Dienst verricht in 2009
Wanneer een dienst in december 2009 wordt verricht, gelden de regels van dat moment ten aanzien van de plaats van dienst, het verschuldigde tarief, de factureringsverplichting en de afdrachtverplichting. Het tijdstip van verschuldigdheid voor de dienst die in december 2009 wordt verricht, en waarvoor een factuur moet worden uitgereikt op uiterlijk de 15e van de maand volgend op die van de prestatie, in casu 15 januari 2010, wordt bepaald door het tijdstip waarop die factuur wordt uitgereikt.Wanneer in dit voorbeeld die factuur nog wordt uitgereikt in december 2009, dan wordt de BTW verschuldigd over de maand december 2009 en moet deze uiterlijk worden meegenomen in de na 1 januari 2010 in te dienen aangifte over het tijdvak waarin de maand december 2009 is begrepen.
Ingeval ter zake van de hiervoor bedoelde dienst de factuur wordt uitgereikt in januari 2010, dan wordt de BTW verschuldigd over de maand januari 2010. Deze BTW dient dan uiterlijk te worden meegenomen in de aangifte over het tijdvak waarin de maand januari 2010 is begrepen.
Een probleem kan zijn dat de wijze waarop de administratieve systemen zijn ingericht uitgaan van de datum van de factuur of van de ontvangst van de factuur. Dit is vaak bepalend voor de verwerking van de gegevens in de BTW-aangifte of listing.
Let op: het tijdstip waarop de dienst is verricht geldt uitsluitend als het tijdstip van verschuldigdheid van de belasting in geval van B2B diensten die onder de hoofdregel vallen en waarvan de heffing is verlegd naar een EU-afnemer.
Voorbeeld 1
Ondernemer A in België verricht een B2B dienst aan ondernemer B in Nederland op 20 juni. De plaats van deze dienst is Nederland. De factuur wordt op 15 juli verstuurd.
Tot 2010 dient B de op grond van de verleggingsregeling verschuldigde BTW aan te geven in juli (of in derde kwartaal).
Vanaf 2010 ontstaat de verschuldigdheid in juni (of in tweede kwartaal). Voor A betekent dit dat hij de B2B dienst in de listing over juni (of het tweede kwartaal) moet opnemen. B moet de aan hem verlegde BTW in de aangifte van juni of het tweede kwartaal opnemen. Deze aangifte moet uiterlijk eind juli worden ingediend. Op dat moment beschikt B over de factuur.
Voorbeeld 2
Op 14 april wordt een factuur uitgereikt waarop melding wordt gemaakt van een dienst verricht op 28 maart en 5 april.
De dienst van 28 maart moet zowel door de dienstverrichter worden gelist als door de afnemer worden aangegeven over het tijdvak dat de maand maart omvat, en die van 5 april in het tijdvak dat de maand april omvat.
Een dienst geldt als te zijn verricht wanneer deze is voltooid. Dit is bij voorbeeld voor goederenvervoersdiensten het tijdstip waarop de goederen worden afgeleverd bij de afnemer.
Doorlopende diensten
Diensten die doorlopend worden verricht gedurende een periode langer dan één jaar worden geacht aan het eind van het kalenderjaar te zijn voltooid, tenzij er afrekeningen of betalingen in die periode hebben plaatsgevonden.Doorlopende diensten die meer dan een jaar duren worden als het ware geknipt, zodat deze in elk geval aan het eind van het kalenderjaar geacht worden te zijn verricht.
Voorbeeld
Indien op grond van een doorlopende verhuurovereenkomst de huur elke maand gefactureerd wordt, of waarbij de huurder elke maand de huur moet betalen, ontstaat de verschuldigdheid van BTW in de maand van de factuur of de betaling.
Indien er geen factuur wordt uitgereikt of in de loop van het jaar wordt betaald, wordt de verhuur op 31 december van dat jaar geacht te zijn voltooid.
De aangifteverplichting voor B2B diensten
Het bestaande aangiftebiljet omzetbelasting wordt zo min mogelijk aangepast, zodat het bedrijfsleven niet te maken krijgt met ingrijpende wijzigingen in de aangifteprogrammatuur die veel ondernemers gebruiken.De gewijzigde indeling biedt meer helderheid aan ondernemingen, nu vraag 2A (heffing verlegd naar mij) ziet op binnenlandse leveringen/diensten en vraag 4A/4B op grensoverschrijdende transacties. Ondernemingen die alleen in binnenlandse verhoudingen met verlegging te maken hebben, komen niet met rubriek 4 in aanraking.
Door de Nederlandse ondernemer verrichte B2B diensten waarbij de plaats van dienst een ander EU land is en de heffing is verlegd naar de EU afnemer moeten in rubriek 3b worden opgenomen (leveringen naar/diensten in landen binnen de EU)
B2B diensten die in het land van de afnemer zijn vrijgesteld of vallen onder het nultarief hoeven niet in rubriek 3b te worden vermeld. Voorbeelden zijn het vervoer van T1-goed of niet ingevoerde goederen tot de plaats van bestemming en het vervoer van uit te voeren goederen. Door de ondernemer verrichte diensten waarbij de plaats van dienst buiten de EU is gelegen hoeven niet op de aangifte te worden vermeld, ook niet in rubriek 1 e. Een voorbeeld hiervan is een adviesdienst verricht voor een Zwitserse ondernemer.
Aan de Nederlandse ondernemer verleende diensten waarbij de heffing is verlegd naar de ondernemer moeten in rubriek 4a (diensten uit landen buiten de EU) of in rubriek 4b (diensten uit landen binnen de EU) worden vermeld Dit brengt met zich mee dat er op het aangiftebiljet geen onderscheid wordt gemaakt tussen intracommunautaire verwervingen en naar de ondernemer verlegde diensten. Deze prestaties zullen gecombineerd bij rubriek 4b op het aangiftebiljet moeten worden aangegeven.
In de rubrieken 4a en 4b dienen alle diensten te worden vermeld die zijn belast in Nederland en verricht door een ondernemer gevestigd in het buitenland (niet-EU en EU). Dit betreft dus ook andere dan B2B diensten verricht door een buitenlandse ondernemer en waarvan de heffing is verlegd naar de Nederlandse afnemer (bijv. werkzaamheden met betrekking tot een in Nederland gelegen onroerend goed).
Dit geldt ook voor diensten die zijn belast tegen het nultarief (bijv. vervoer van niet ingevoerde goederen, zgn. T1 goederen)
De listingverplichting voor B2B diensten en intracommunautaire leveringen
Tot 2010 bestond alleen een listingverplichting voor intracommunautaire leveringen. Vanaf 1 januari 2010 geldt er ook een listingverplichting voor B2B diensten waarbij de heffing is verlegd naar de afnemer in een ander EU land. Vanaf 2010 heet de listing “Opgaaf intracommunautaire prestaties” (opgaaf ICP).Opgaaf intracommunautaire prestaties
Op de opgaaf intracommunautaire prestaties dienen zowel de leveringen als de diensten te worden opgegeven. In de opgaaf ICP worden twee kolommen opgenomen: één voor intracommunautaire leveringen en één voor intracommunautaire diensten.Let op: De listing verplichting geldt alleen voor de B2B-diensten dien onder de hoofdregel vallen. Er geldt geen listingverplichting voor:
- B2B diensten die in het land van de afnemer vrijgesteld zijn, dit geldt dus ook voor diensten die onder de hoofdregel vallen. Indien de ondernemer niet weet of de dienst bij de afnemer is vrijgesteld kan hij hierover informatie inwinnen bij zijn afnemer, bij in Nederland gevestigde buitenlandse Kamers van Koophandel, bij de buitenlandse belastingdiensten of op de site van de Europese Commissie;
- B2B diensten die in het land van de afnemer onder het nultarief vallen, dit geldt dus ook voor diensten die onder de hoofdregel vallen. Dit doet zich onder meer voor bij vervoer van niet ingevoerde goederen.(T1 goed), van ingevoerde goederen tot de plaats van bestemming of van goederen die worden uitgevoerd;
- B2B diensten die worden verricht voor niet-EU ondernemers;
- B2B diensten die niet onder de hoofdregel vallen, denk hierbij aan diensten met betrekking tot onroerende zaken, personenvervoer, culturele en artistieke diensten, restaurant en catering, kortdurende verhuur vervoermiddelen e.d.;
- B2B diensten waarbij de afnemer geen BTW-id nummer heeft;
- B2C diensten.
Let op: Wanneer er voor een dienst geen listingverplichting geldt, hoeft deze dienst ook niet in vak 3b op de Nederlandse aangifte OB te worden vermeld.
Voorbeeld 1
Een Nederlandse advocaat verricht een dienst aan een Belgische ondernemer. Op grond van de B2B hoofdregel is de plaats van dienst in België. Als deze dienst in België is vrijgesteld, hoeft de Nederlandse advocaat deze B2B dienst niet te listen.
De dienst wordt ook niet vermeld op de Nederlandse aangifte.
Voorbeeld 2
Een Nederlandse makelaar bemiddelt voor een Duitse ondernemer bij de verkoop van een bedrijfspand in Duitsland. De plaats van deze dienst is daar waar de onroerende zaak is gelegen, dus Duitsland. Voor deze dienst bestaat geen verplichte verleggingsregeling. Mocht Duitsland voor deze dienst een verleggingregeling kennen, dan valt deze dienst toch niet onder de listingverplichting.
Voorbeeld 3
Een Nederlands bedrijf verricht een B2B dienst voor een Noorse ondernemer. Deze dienst is op grond van de B2B hoofdregel belast in Noorwegen. Omdat Noorwegen niet tot de EU behoort, beschikt de Noorse ondernemer niet over een BTW-id nummer. Er hoeft dus niet gelist te worden.
Voorbeeld 4
Ondernemer A verricht een vervoersdienst (B2B dienst) in België voor ondernemer B.
Hierna zijn de fiscale gevolgen aangegeven voor A en B in diverse situaties.
| Land A | Land B | Plaats dienst | Heffing verlegd | Aangifte A | Aangifte B | Listing | Tijdstip OB schuld |
| NL | BE | BE | ja | ja (vak 3b) | ja (BE) | A in NL | dienst |
| NL | NL | NL |
nee |
ja (vak 1a) | nee | nee | factuur |
| NL | USA | USA | ? | nee | USA? | nee | ? |
| BE | NL | NL | ja | ja (BE) | ja (vak 4b) | B in BE | dienst |
| USA | NL | NL | ja | USA? | ja (vak 4a) | nee | dienst |
Toelichting:
Ondernemer A in Nederland verricht een B2B vervoersdienst in België aan ondernemer B in Nederland.
Tot 2010 is de dienst belast in België. Vanaf 2010 is de plaats van dienst Nederland. De heffing is niet verlegd. Hoewel het een B2B dienst is die valt onder de nieuwe hoofdregel wordt deze niet gelist omdat de heffing niet is verlegd. Als tijdstip van verschuldigdheid geldt de datum van uitreiking van de factuur.
De wijziging van kwartaal- naar maandlisting voor intracommunautaire leveringen (ICL)
Uitgangspunt is dat de listing per maand gedaan moet worden. Er zijn echter uitzonderingen.De regels per 1 januari 2010:
- ICL tot en met € 100 000 per maand: echter keuze mogelijk voor kwartaallisting.
- ICL boven € 100 000: maandlisting.
- Diensten: maandlisting. Echter keuze mogelijk voor kwartaallisting (hier geldt geen drempel).
Overschrijding drempel
Als de ondernemer gedurende het tijdvak van een kalenderkwartaal de drempel van € 100.000 overschrijdt, dient hij alsnog aan het eind van de maand volgend op de maand van overschrijding over de betreffende maand een maandlisting in te dienen. Over de eventueel eerder verstreken maanden in dat kalenderkwartaal dient alsnog een maandlisting, c.q. listing over 2 maanden plaats te vinden.Deze ondernemer zal dan voor zijn intracommunautaire leveringen in elk geval gedurende de vier daaropvolgende kalenderkwartalen zijn listing per maand moeten indienen.
Voor zijn te listen B2B-diensten is de ondernemer niet verplicht naar een tijdvak van een maand over te gaan.
Het tijdvak waarover de listing moet worden ingediend kan afwijken van het tijdvak van de aangifte. Een ondernemer kan kwartaalaangifte blijven doen ook al moet hij voor de ICL een maandlisting doen. Hij kan echter ook verzoeken om maandaangifte.
Indien een ondernemer voor diensten een kwartaallisting indient en voor ICL een maandlisting, dient voor de ICL over de derde kwartaalmaand een afzonderlijke listing te worden ingediend. Deze ICL over de derde kwartaalmaand kan niet opgenomen worden in de kwartaallisting van diensten.
In een slotartikel over het BTW-pakket 2010 zal aandacht worden besteed aan de elektronische procedure voor verzoeken om teruggaaf van buitenlandse BTW.


